Als er over Agora gesproken wordt gaat veelal de aandacht uit naar de zichtbare vorm: challenges, coaching, heterogene groepen en ruimte voor diverse leerroutes. Maar onder die manier van werken ligt een fundament dat bepaalt of agora-onderwijs werkelijk agora-onderwijs is of kan worden.
In dit stuk besteed ik daarom nog eens aandacht aan dat fundament. Waartoe bestaat Agora? Welke infrastructuur is nodig om die bedoeling mogelijk te maken? En vanuit welk mensbeeld handelen we daarbinnen? Vanuit de purpose van Agora, het creëren van plekken waar mensen met plezier leren, ontvouwt zich een samenhangend geheel van voorwaarden en uitgangspunten. Pas daarna krijgen het hoe en het wat van Agora werkelijk betekenis.
Wat komt voorbij?
- Purpose: waartoe bestaan we?
- Infrastructuur: Agora vertrekt vanuit een mensbeeld en een bedoeling. Dat mensbeeld vraagt om een daarbij passende infrastructuur. Die infrastructuur is zodanig adaptief dat daar pedagogische relaties en leerprocessen kunnen ontstaan.
- Uitgangspunten: van waaruit handelen we? Vijftien uitgangspunten die beschrijven hoe de bedoeling van Agora in het samenleven, leren en handelen zichtbaar wordt binnen en ten gevolge van die infrastructuur.
- Praktijk: hoe en wat we doen. Challenges, coaching, het ritme van de dag, de vijf agorawerelden, dagstart, stiltetijd, heterogeniteit en monitoring van leerlingen zijn de vormen en instrumenten. Zij gaan over de concrete uitvoering van agora-onderwijs. Daar ga ik in deze notitie niet op in. Meer inzicht daarover geef ik dit blog.
De purpose vertelt waartoe Agora bestaat. De infrastructuur maakt dat bestaan mogelijk. De vijftien uitgangspunten geven richting aan het menselijk handelen daarbinnen. De concrete werkwijzen maken dat handelen zichtbaar.
1. De purpose van Agora
Het creëren van plekken waar mensen met plezier leren.
Met plezier leren betekent voor ons niet dat leren altijd leuk, gemakkelijk of comfortabel moet zijn. Het is veel meer de vreugde die kan ontstaan wanneer leerlingen zich gezien en verbonden voelen, nieuwsgierig worden, weerstand ontmoeten en aangaan, nieuwe mogelijkheden ontdekken en ervaren dat hun verblijf op Agora en daarmee hun ontwikkeling ertoe doet.
De purpose bepaalt niet precies hoe Agora moet worden ingericht. Dat is juist haar kracht. Ook buiten de huidige vormen van Agora kun je plekken creëren waar mensen met plezier leren. Maar de purpose stelt wel een harde toetsvraag aan iedere organisatorische keuze:
Draagt deze inrichting eraan bij dat mensen hier met plezier kunnen leren, of maakt zij dat moeilijker?
2. Van purpose naar infrastructuur
Onze purpose vertelt waartoe Agora bestaat: het creëren van plekken waar mensen met plezier leren. Maar een purpose krijgt pas betekenis wanneer de organisatie die purpose ook dagelijks mogelijk maakt. Een school kan zeggen dat zij ruimte wil geven aan nieuwsgierigheid, vrijheid, ontmoeting en persoonlijke ontwikkeling, terwijl haar inrichting mensen voortdurend dwingt zich aan te passen aan vaste tijden, groepen, niveaus, leerwegen en verwachtingen. Dan spreekt de purpose wel uit het hart, maar wordt zij door de structuren van de organisatie tegengesproken.
Daarom is Agora niet in de eerste plaats een verzameling pedagogische of didactische werkwijzen. Het vertrekpunt is een bewust ontworpen, adaptieve menselijke infrastructuur: de samenhang van ruimtes, tijd, relaties, rollen, voorzieningen, gewoonten en verantwoordelijkheden waarbinnen mensen samen leven, leren en werken.
Deze infrastructuur is geen neutrale drager van het onderwijs, maar een voorwaarde ervoor. De manier waarop een school tijd, ruimte, mensen en zeggenschap organiseert, bepaalt mede welke relaties, vormen van leren en menselijke ontwikkeling mogelijk worden. Wie het onderwijs fundamenteel wil vernieuwen zonder deze infrastructuur ter discussie te stellen, zal daarom meestal de bestaande school opnieuw voortbrengen, alleen met andere werkvormen en een nieuwe taal.
De infrastructuur van een agoraschool verlangt niet dat mensen zich voegen naar een vooraf vastgelegde organisatie van onderwijs. Die infrastructuur is adaptief van aard en kan zich daardoor elk moment aanpassen aan de mensen die er zijn, zonder haar waarden en opdracht te hoeven verloochenen. Zij faciliteert relaties. Dé voorwaarde om mens en persoon te kunnen worden. De infrastructuur biedt veiligheid, continuïteit, ontmoeting, toegang tot kennis en de wereld én voldoende vrijheid om het onverwachte mogelijk te maken en nieuwe gedachten, creaties, oplossingen, inzichten, relaties enz. te laten ontstaan.
Binnen deze infrastructuur leren leerlingen zichzelf, elkaar en de wereld aandachtig waar te nemen, betekenis te geven aan wat en wie zij ontmoeten en samen nieuwe mogelijkheden te ontdekken en te verwezenlijken.
De vijftien uitgangspunten die hieronder benoemd worden, vormen daarom geen afzonderlijke kenmerken of een checklist voor de inrichting van een agoraschool. Zij beschrijven de menselijke en pedagogische consequenties van deze infrastructuur. Ze maken zichtbaar welk mensbeeld eraan ten grondslag ligt, welke relaties zij mogelijk moet maken en vanuit welke bedoeling mensen binnen een agoraschool handelen.
Twee onafscheidelijke kernwaarden
De infrastructuur van een agoraschool wordt gedragen door twee onafscheidelijke waarden: vrijheid en verantwoordelijkheid. Vrijheid is betekenisloos en kan gevaarlijk worden zonder verantwoordelijkheid. Verantwoordelijkheid is deprimerend en onderdrukkend zonder vrijheid. Op Agora krijgt vrijheid betekenis in de relatie met de ander en met de wereld. Zij is niet de mogelijkheid om uitsluitend te doen wat je zelf wilt, maar de ruimte om te kiezen, te handelen en iets nieuws te beginnen, met verantwoordelijkheid voor wat dat handelen teweegbrengt.
Daarom leren en werken mensen op Agora niet alleen naast elkaar, maar met en vóór elkaar. De vrijheid van ieder mens wordt begrensd én mogelijk gemaakt door de vrijheid van anderen. De infrastructuur moet die wederkerigheid iedere dag opnieuw ondersteunen.
3. Uitgangspunten van waaruit we handelen
Mens en wereld
- Op Agora verschijnt ieder mens als subject.
De leerling wordt niet benaderd als object van onderwijs, maar als iemand die zelf kan waarnemen, denken, kiezen, handelen en verantwoordelijkheid dragen. - Vrijheid bestaat alleen in relatie tot verantwoordelijkheid.
Leerlingen krijgen ruimte en zeggenschap om richting te geven aan hun ontwikkeling en leren tegelijkertijd rekening te houden met anderen, de gemeenschap en de wereld waarin zij handelen. - Onderwijs brengt de leerling in ontmoeting met de wereld.
Agora sluit aan bij wat een leerling bezighoudt, maar blijft daar niet in steken. Leerlingen ontmoeten kennis, cultuur, wetenschap, kunst, natuur, techniek, maatschappelijke vraagstukken en perspectieven die hun bestaande wereld vergroten.
Aandacht en ontwikkeling
- Leren begint met aandacht, nieuwsgierigheid en verwondering.
Agora onderzoekt waar de aandacht van een leerling naartoe gaat, wat hem raakt en welke vragen zich daarin beginnen af te tekenen. - Betekenis ontstaat in de verbinding tussen binnenwereld en buitenwereld.
Een leerproces wordt betekenisvol wanneer persoonlijke belangstelling in aanraking komt met andere mensen, echte vraagstukken en ervaringen en kennis in de wereld. - Iedere leerling ontwikkelt een eigen manier van leren.
Er bestaat geen kant-en-klaar recept voor ieder kind. Leerlingen leren verschillende strategieën kennen, onderzoeken wat voor hen werkt en ontwikkelen zelfkennis, concentratie, zelfdiscipline en zelfregulatie.
Relatie en gemeenschap
- Ieder mens wordt gekend en ongelijk behandeld.
We nemen verschillen in achtergrond, mogelijkheden, ontwikkeling en ondersteuningsbehoeften serieus. Door leerlingen ongelijk te behandelen, streven we naar gelijkwaardige kansen om zich te ontwikkelen. - Relatie en vertrouwen vormen de bedding van ontwikkeling.
Mensen durven pas te onderzoeken, fouten te maken, onzekerheid toe te laten en verantwoordelijkheid te nemen wanneer zij zich gezien, gehoord en veilig genoeg weten. - Leren is persoonlijk, maar nooit uitsluitend individueel.
Leerlingen leren zelfstandig én samen, binnen en buiten de school. Zij maken deel uit van heterogene groepen onafhankelijk van leeftijd en niveau. Leeftijden, niveaus, ervaringen en perspectieven verrijken elkaar juist en leerlingen zijn medeverantwoordelijk voor elkaars groei.
Leren, weerstand en creëren
- De leerling geeft richting aan zijn leren, maar leren is niet vrijblijvend.
Het kiezen van een challenge schept een verbintenis. De leerling leert keuzes maken, doelen stellen, handelen, volhouden, verantwoorden, afronden en opnieuw beginnen. - Weerstand is een noodzakelijke bron van ontwikkeling.
Betekenisvol leren vraagt inspanning en brengt twijfel, grenzen, frustratie en het onbekende met zich mee. De leraar (deze noemt zich coach op een agoraschool) helpt de leerling weerstand te herkennen, toe te laten, te onderzoeken en waar mogelijk te overwinnen. - Reflectie verbindt ervaring aan ontwikkeling.
Leerlingen staan regelmatig stil bij wat zij hebben gedaan, gedacht, gevoeld en geleerd. Zij onderzoeken welke keuzes zij maakten, welke patronen zichtbaar werden en welke volgende stap betekenisvol is. Hun ontwikkeling wordt zichtbaar gemaakt zonder hen met anderen of met een (landelijk) gemiddelde te vergelijken.
Intelligentie, begeleiding en leiderschap
- Agora cultiveert relaties.
Leerlingen en volwassenen leren relaties, emoties en verschillende perspectieven waarnemen. Zij luisteren niet alleen naar woorden, maar ook naar wat er tussen mensen gebeurt, en ontwikkelen zo empathie, wederkerigheid en het vermogen om samen te werken. - Iets mogen en kunnen laten ontstaan vormt de levende kern van Agora.
Leerlingen leren bestaande aannames tijdelijk op te schorten, aandachtig waar te nemen wat zich aandient en ruimte te maken voor mogelijkheden die nog geen vaste vorm hebben. Vanuit deze bron leren zij moreel onderscheiden, verbeelden en samen iets nieuws tot stand brengen. Kunstmatige intelligentie kan daarbij een hulpmiddel, partner of spiegel zijn, maar kan deze menselijke bron niet vervangen. - De omgeving past zich aan de mens aan en daagt hem uit zich te ontwikkelen.
Coaches en schoolleiders bewaken niet in de eerste plaats een vast onderwijsmodel, maar scheppen de best mogelijke pedagogische, sociale en didactische omstandigheden voor de leerlingen die er zijn. Zij blijven waarnemen wat nodig is, handelen met professionele scherpte en maken zichtbaar of vrijheid, ontwikkeling, kennisverwerving en kwaliteit daadwerkelijk worden gerealiseerd.
4. De praktijk, hoe en wat we doen
Daar is al veel over geschreven. In dit blog vind je een mooi voorbeeld.


Mooi en inspirerend verhaal, dank je wel Jan!