Als er over Agora gesproken wordt gaat veelal de aandacht uit naar de zichtbare vorm: challenges, coaching, heterogene groepen en ruimte voor diverse leerroutes. Maar onder die manier van werken ligt een fundament dat bepaalt of agora-onderwijs werkelijk agora-onderwijs is of kan worden.
In dit stuk besteed ik daarom nog eens aandacht aan dat fundament. Waartoe bestaat Agora? Welke infrastructuur is nodig om die bedoeling mogelijk te maken? En vanuit welk mensbeeld handelen we daarbinnen? Vanuit de purpose van Agora, het creëren van plekken waar mensen met plezier leren, ontvouwt zich een samenhangend geheel van voorwaarden en uitgangspunten. Pas daarna krijgen het hoe en het wat van Agora werkelijk betekenis.
Wat komt voorbij?
- Purpose: waartoe bestaan we?
- Infrastructuur: Agora vertrekt vanuit een mensbeeld en een bedoeling. Dat mensbeeld vraagt om een daarbij passende infrastructuur. Die infrastructuur is zodanig adaptief dat daar pedagogische relaties en leerprocessen kunnen ontstaan.
- Leidende principes: van waaruit handelen we? Vijftien leidende principes die beschrijven hoe de bedoeling van Agora in het samenleven, leren en handelen zichtbaar wordt binnen en ten gevolge van die infrastructuur.
- Praktijk: hoe en wat we doen. Challenges, coaching, het ritme van de dag, de vijf agorawerelden, dagstart, stiltetijd, heterogeniteit en monitoring van leerlingen zijn de vormen en instrumenten. Zij gaan over de concrete uitvoering van agora-onderwijs. Daar ga ik in deze notitie niet op in. Meer inzicht daarover geef ik dit blog.
De purpose vertelt waartoe Agora bestaat. De infrastructuur maakt dat bestaan mogelijk. De leidende principes geven richting aan het menselijk handelen daarbinnen. De concrete werkwijzen maken dat handelen zichtbaar.
1. De purpose van Agora
Het creëren van plekken waar mensen met plezier leren.
Met plezier leren betekent voor ons niet dat leren altijd leuk, gemakkelijk of comfortabel moet zijn. Het is veel meer de vreugde die kan ontstaan wanneer leerlingen zich gezien en verbonden voelen, nieuwsgierig worden, weerstand ontmoeten en aangaan, nieuwe mogelijkheden ontdekken en ervaren dat hun verblijf op Agora en daarmee hun ontwikkeling ertoe doet.
De purpose bepaalt niet precies hoe Agora moet worden ingericht. Dat is juist haar kracht. Ook buiten de huidige vormen van Agora kun je plekken creëren waar mensen met plezier leren. Maar de purpose stelt wel een harde toetsvraag aan iedere organisatorische keuze:
Draagt deze inrichting eraan bij dat mensen hier met plezier kunnen leren, of maakt zij dat moeilijker?
2. Van purpose naar infrastructuur
Onze purpose vertelt waartoe Agora bestaat: het creëren van plekken waar mensen met plezier leren. Maar een purpose krijgt pas betekenis wanneer de organisatie die purpose ook dagelijks mogelijk maakt. Een school kan zeggen dat zij ruimte wil geven aan nieuwsgierigheid, vrijheid, ontmoeting en persoonlijke ontwikkeling, terwijl haar inrichting mensen voortdurend dwingt zich aan te passen aan vaste tijden, groepen, niveaus, leerwegen en verwachtingen. Dan spreekt de purpose wel uit het hart, maar wordt zij door de structuren van de organisatie tegengesproken.
Daarom is Agora niet in de eerste plaats een verzameling pedagogische of didactische werkwijzen. Het vertrekpunt is een bewust ontworpen, adaptieve menselijke infrastructuur: de samenhang van ruimtes, tijd, relaties, rollen, voorzieningen, gewoonten en verantwoordelijkheden waarbinnen mensen samen leven, leren en werken.
Deze infrastructuur is geen neutrale drager van het onderwijs, maar een voorwaarde ervoor. De manier waarop een school tijd, ruimte, mensen en zeggenschap organiseert, bepaalt mede welke relaties, vormen van leren en menselijke ontwikkeling mogelijk worden. Wie het onderwijs fundamenteel wil vernieuwen zonder deze infrastructuur ter discussie te stellen, zal daarom meestal de bestaande school opnieuw voortbrengen, alleen met andere werkvormen en een nieuwe taal.
De infrastructuur van een agoraschool verlangt niet dat mensen zich voegen naar een vooraf vastgelegde organisatie van onderwijs. Die infrastructuur is adaptief van aard en kan zich daardoor elk moment aanpassen aan de mensen die er zijn, zonder haar waarden en opdracht te hoeven verloochenen. Zij faciliteert relaties. Dé voorwaarde om mens en persoon te kunnen worden. De infrastructuur biedt veiligheid, continuïteit, ontmoeting, toegang tot kennis en de wereld én voldoende vrijheid om het onverwachte mogelijk te maken en nieuwe gedachten, creaties, oplossingen, inzichten, relaties enz. te laten ontstaan.
Binnen deze infrastructuur leren leerlingen zichzelf, elkaar en de wereld aandachtig waar te nemen, betekenis te geven aan wat en wie zij ontmoeten en samen nieuwe mogelijkheden te ontdekken en te verwezenlijken.
De vijftien uitgangspunten die hieronder benoemd worden, vormen daarom geen afzonderlijke kenmerken of een checklist voor de inrichting van een agoraschool. Zij beschrijven de menselijke en pedagogische consequenties van deze infrastructuur. Ze maken zichtbaar welk mensbeeld eraan ten grondslag ligt, welke relaties zij mogelijk moet maken en vanuit welke bedoeling mensen binnen een agoraschool handelen.
Twee onafscheidelijke kernwaarden
De infrastructuur van een agoraschool wordt gedragen door twee onafscheidelijke waarden: vrijheid en verantwoordelijkheid. Vrijheid is betekenisloos en kan gevaarlijk worden zonder verantwoordelijkheid. Verantwoordelijkheid is deprimerend en onderdrukkend zonder vrijheid. Op Agora krijgt vrijheid betekenis in de relatie met de ander en met de wereld. Zij is niet de mogelijkheid om uitsluitend te doen wat je zelf wilt, maar de ruimte om te kiezen, te handelen en iets nieuws te beginnen, met verantwoordelijkheid voor wat dat handelen teweegbrengt.
Daarom leren en werken mensen op Agora niet alleen naast elkaar, maar met en vóór elkaar. De vrijheid van ieder mens wordt begrensd én mogelijk gemaakt door de vrijheid van anderen. De infrastructuur moet die wederkerigheid iedere dag opnieuw ondersteunen.
3. Leidende principes van waaruit we handelen
Mens en wereld
- Op Agora verschijnt ieder mens als subject.
De leerling wordt niet benaderd als object van onderwijs, maar als iemand die zelf kan waarnemen, denken, kiezen, handelen en verantwoordelijkheid dragen. - Vrijheid bestaat alleen in relatie tot verantwoordelijkheid.
Leerlingen krijgen ruimte en zeggenschap om richting te geven aan hun ontwikkeling en leren tegelijkertijd rekening te houden met anderen, de gemeenschap en de wereld waarin zij handelen. - Onderwijs brengt de leerling in ontmoeting met de wereld.
Agora sluit aan bij wat een leerling bezighoudt, maar blijft daar niet in steken. Leerlingen ontmoeten kennis, cultuur, wetenschap, kunst, natuur, techniek, maatschappelijke vraagstukken en perspectieven die hun bestaande wereld vergroten.
Aandacht en ontwikkeling
- Leren begint met aandacht, nieuwsgierigheid en verwondering.
Agora onderzoekt waar de aandacht van een leerling naartoe gaat, wat hem raakt en welke vragen zich daarin beginnen af te tekenen. - Betekenis ontstaat in de verbinding tussen binnenwereld en buitenwereld.
Een leerproces wordt betekenisvol wanneer persoonlijke belangstelling in aanraking komt met andere mensen, echte vraagstukken en ervaringen en kennis in de wereld. - Iedere leerling ontwikkelt een eigen manier van leren.
Er bestaat geen kant-en-klaar recept voor ieder kind. Leerlingen leren verschillende strategieën kennen, onderzoeken wat voor hen werkt en ontwikkelen zelfkennis, concentratie, zelfdiscipline en zelfregulatie.
Relatie en gemeenschap
- Ieder mens wordt gekend en ongelijk behandeld.
We nemen verschillen in achtergrond, mogelijkheden, ontwikkeling en ondersteuningsbehoeften serieus. Door leerlingen ongelijk te behandelen, streven we naar gelijkwaardige kansen om zich te ontwikkelen. - Relatie en vertrouwen vormen de bedding van ontwikkeling.
Mensen durven pas te onderzoeken, fouten te maken, onzekerheid toe te laten en verantwoordelijkheid te nemen wanneer zij zich gezien, gehoord en veilig genoeg weten. - Leren is persoonlijk, maar nooit uitsluitend individueel.
Leerlingen leren zelfstandig én samen, binnen en buiten de school. Zij maken deel uit van heterogene groepen onafhankelijk van leeftijd en niveau. Leeftijden, niveaus, ervaringen en perspectieven verrijken elkaar juist en leerlingen zijn medeverantwoordelijk voor elkaars groei.
Leren, weerstand en creëren
- De leerling geeft richting aan zijn leren, maar leren is niet vrijblijvend.
Het kiezen van een challenge schept een verbintenis. De leerling leert keuzes maken, doelen stellen, handelen, volhouden, verantwoorden, afronden en opnieuw beginnen. - Weerstand is een noodzakelijke bron van ontwikkeling.
Betekenisvol leren vraagt inspanning en brengt twijfel, grenzen, frustratie en het onbekende met zich mee. De leraar (deze noemt zich coach op een agoraschool) helpt de leerling weerstand te herkennen, toe te laten, te onderzoeken en waar mogelijk te overwinnen. - Reflectie verbindt ervaring aan ontwikkeling.
Leerlingen staan regelmatig stil bij wat zij hebben gedaan, gedacht, gevoeld en geleerd. Zij onderzoeken welke keuzes zij maakten, welke patronen zichtbaar werden en welke volgende stap betekenisvol is. Hun ontwikkeling wordt zichtbaar gemaakt zonder hen met anderen of met een (landelijk) gemiddelde te vergelijken.
Intelligentie, begeleiding en leiderschap
- Agora cultiveert relaties.
Leerlingen en volwassenen leren relaties, emoties en verschillende perspectieven waarnemen. Zij luisteren niet alleen naar woorden, maar ook naar wat er tussen mensen gebeurt, en ontwikkelen zo empathie, wederkerigheid en het vermogen om samen te werken. - Iets mogen en kunnen laten ontstaan vormt de levende kern van Agora.
Leerlingen leren bestaande aannames tijdelijk op te schorten, aandachtig waar te nemen wat zich aandient en ruimte te maken voor mogelijkheden die nog geen vaste vorm hebben. Vanuit deze bron leren zij moreel onderscheiden, verbeelden en samen iets nieuws tot stand brengen. Kunstmatige intelligentie kan daarbij een hulpmiddel, partner of spiegel zijn, maar kan deze menselijke bron niet vervangen. - De omgeving past zich aan de mens aan en daagt hem uit zich te ontwikkelen.
Coaches en schoolleiders bewaken niet in de eerste plaats een vast onderwijsmodel, maar scheppen de best mogelijke pedagogische, sociale en didactische omstandigheden voor de leerlingen die er zijn. Zij blijven waarnemen wat nodig is, handelen met professionele scherpte en maken zichtbaar of vrijheid, ontwikkeling, kennisverwerving en kwaliteit daadwerkelijk worden gerealiseerd.
4. De praktijk, hoe en wat we doen
(In dit blog verbind ik onderstaande tekst aan het wetenschappelijk fundament van de zelfdeterminatietheorie van Ryan & Deci.)
De purpose vertelt waartoe Agora bestaat. De infrastructuur schept de omstandigheden waarin dit mogelijk wordt en de leidende principes geven richting aan ons handelen. In de dagelijkse praktijk wordt dat fundament zichtbaar in een aantal samenhangende werkwijzen. Die beschrijf ik hieronder.
Challenges, coaching, het ritme van de dag, de vijf agorawerelden, heterogene groepen en het zichtbaar maken van ontwikkeling zijn geen losse onderdelen van een onderwijsconcept. Het zijn manieren om de bedoeling van Agora iedere dag opnieuw in praktijk te brengen.
De leerling begint bij wat hem bezighoudt
Op Agora start het leren niet bij een methode, een lesrooster of een vooraf vastgesteld programma. We beginnen bij de leerling: bij wat zijn aandacht trekt, wat hem nieuwsgierig maakt, waarover hij zich verwondert of wat hij graag zou willen maken, onderzoeken, begrijpen of veranderen.
Dat betekent niet dat een leerling iedere ochtend uit een verzameling opdrachten kiest. De coach onderzoekt samen met de leerling waar een werkelijke belangstelling ligt en welke vraag daaronder verborgen zit. Soms is die belangstelling meteen zichtbaar. Soms moet zij worden ontdekt door gesprekken, ervaringen, inspiratiesessies, ontmoetingen, spel, excursies of door iets gewoon te gaan proberen.
Nieuwsgierigheid kan vluchtig zijn. Daarom helpen we leerlingen om te ontdekken welke onderwerpen hen werkelijk raken en welke vragen het verdienen om langer vastgehouden te worden. Vanuit zo’n vraag ontstaat een challenge.
Een challenge vormt een hulpmiddel om tot kennis en vaardigheden te komen
Een challenge is een betekenisvolle leeropdracht waaraan een leerling zich verbindt. De leerling kiest het onderwerp en bepaalt, samen met zijn coach, wat hij wil onderzoeken, leren, maken of bereiken.
Dat kan beginnen met vragen als:
- Hoe werkt de waterzuivering in Nederland?
- Hoe ontwerp en bouw ik een robot?
- Hoe maak ik een goede documentaire?
- Wat is ervoor nodig om mijn eigen restaurant te beginnen?
- Hoe schrijf ik een verhaal dat anderen werkelijk raakt?
Vanuit de eerste belangstelling helpt de coach de leerling om tot een concrete en uitdagende leervraag te komen. Daarna onderzoeken zij samen welke kennis nodig is, welke vaardigheden ontwikkeld moeten worden, welke bronnen bruikbaar zijn en welke mensen, plaatsen en ervaringen het leerproces kunnen verrijken.
Een challenge bestaat doorgaans uit drie met elkaar verbonden fasen:
- Voorbereiden: de leerling verkent zijn belangstelling, formuleert een vraag en bepaalt wat hij wil bereiken.
- Uitvoeren en verdiepen: de leerling onderzoekt, oefent, maakt, leest, rekent, schrijft, spreekt deskundigen, ontvangt instructie en verwerkt feedback.
- Afronden en zichtbaar maken: de leerling laat zien wat hij heeft gedaan en geleerd, kijkt terug op het proces en bepaalt een betekenisvolle volgende stap.
Het kiezen van een challenge schept daarmee een verbintenis. De leerling leert niet alleen beginnen, maar ook plannen, onderzoeken, doorzetten, kwaliteit leveren, verantwoorden, afronden en opnieuw beginnen.
De coach begeleidt het leerproces
De coach is geen begeleider die op afstand afwacht tot een leerling om hulp vraagt. Hij is een pedagogisch en didactisch vakbekwame leraar die de leerling goed kent en verantwoordelijkheid draagt voor diens leren, ontwikkeling en welzijn.
De coach helpt de leerling om:
- een belangstelling te verdiepen tot een onderzoekbare vraag;
- een groot onderwerp terug te brengen tot overzichtelijke stappen;
- aanwezige voorkennis op te halen en nieuwe kennis op te bouwen;
- betrouwbare bronnen te vinden en kritisch te gebruiken;
- verbindingen te leggen met andere onderwerpen en kennisgebieden;
- instructie, oefening of deskundige ondersteuning te vinden;
- door te zetten wanneer het moeilijk wordt;
- te onderzoeken wat daadwerkelijk is geleerd;
- het werk te verbeteren en met kwaliteit af te ronden.
Daarbij heeft niet iedere leerling evenveel vrijheid of begeleiding nodig. De ene leerling kan een groot deel van zijn leerproces al zelfstandig organiseren. Een andere leerling heeft voorlopig duidelijke kaders, kleinere stappen, gerichte instructie en intensievere ondersteuning nodig.
Zelfstandigheid en zelfsturing zijn daarom geen voorwaarden om op Agora te kunnen leren. Het zijn vermogens die leerlingen gedurende hun schooltijd ontwikkelen. De coach geeft een leerling zoveel zeggenschap als op dat moment verantwoord en behulpzaam is: niet te weinig, maar ook niet zoveel dat de leerling verdwaalt of overvraagd wordt.
De leerling houdt invloed op de richting van zijn challenge en op de manier waarop hij zijn werk uitvoert. De coach bewaakt ondertussen de voortgang, de diepgang, de kwaliteit en de ontwikkeling. Leren op Agora is daardoor nooit vrijblijvend.
We brengen de wereld naar binnen en de leerling naar buiten
Een challenge begint bij de leerling, maar blijft niet beperkt tot wat de leerling al kent of interessant vindt. Onderwijs heeft ook de opdracht om de wereld voor leerlingen te openen.
Daarbij gebruiken we de vijf agorawerelden:
- de wetenschappelijke wereld;
- de kunstzinnige wereld;
- de maatschappelijke wereld;
- de sociaal-ethische wereld;
- de spirituele wereld.
Deze werelden helpen de coach en de leerling om een onderwerp vanuit verschillende perspectieven te bekijken. Een challenge over voedsel kan bijvoorbeeld leiden naar biologie en scheikunde, maar ook naar economie, cultuur, gezondheid, duurzaamheid, ethiek en vormgeving. Een challenge wordt zo geen geïsoleerde activiteit, maar een toegangspoort tot een groter deel van de wereld.
Vakexperts, ouders, bedrijven, kunstenaars, wetenschappers, maatschappelijke organisaties en andere mensen uit het netwerk van de school kunnen daarbij worden betrokken. Zij brengen kennis, ervaring, vragen en kwaliteitsverwachtingen in die binnen de school niet altijd beschikbaar zijn. Leren vindt daarom zowel binnen als buiten de school plaats.
Kennis en vaardigheden worden gericht opgebouwd
Werken vanuit persoonlijke vragen betekent niet dat kennis en vaardigheden vanzelf ontstaan. Leerlingen hebben uitleg, instructie, oefening, herhaling en feedback nodig. Dat organiseren we op het moment en in de vorm waarin dit het leerproces het beste ondersteunt. Soms gebeurt dat binnen een challenge. Soms neemt een leerling deel aan een instructie, workshop of inspiratiesessie. Op andere momenten oefent hij afzonderlijk met taal, rekenen, wiskunde, lezen, schrijven of een andere vaardigheid. Naarmate leerlingen dichter bij hun examen komen, worden ook de eindtermen, exameneisen en de daarvoor benodigde vakkennis steeds nadrukkelijker in hun leerroute opgenomen.
Onderwijs op Agora betekent dus niet dat iedere leerling uitsluitend doet waar hij op dat moment zin in heeft. Het betekent dat we steeds zoeken naar een betekenisvolle verbinding tussen de ontwikkeling van de leerling, de eisen die het leren stelt en de wereld die voor hem opengaat.
Het dagritme biedt houvast
De vrijheid binnen Agora wordt gedragen door een herkenbare en stevige structuur. Daarom heeft iedere agoraschool een ‘ritme van de dag’. De precieze invulling kan per school verschillen, maar meestal bestaat de dag uit:
- een dagstart;
- tijd om aan challenges te werken;
- instructies, inspiratiesessies en ontmoetingen;
- een stiltemoment;
- gezamenlijke pauzes en activiteiten;
- een dagsluiting.
In de dagstart ontmoeten leerlingen en coaches elkaar. Er wordt gedeeld wat mensen bezighoudt, er ontstaan gesprekken en leerlingen horen waarmee anderen bezig zijn en hoe ze elkaar kunnen ondersteunen. De dagstart kan nieuwsgierigheid oproepen, de gemeenschap versterken en leerlingen helpen richting te geven aan hun dag.
Tijdens de challengetijd werken leerlingen zelfstandig, samen met anderen of onder begeleiding van hun coach of een vakexpert. Zij onderzoeken, lezen, rekenen, schrijven, ontwerpen, oefenen, bouwen, voeren gesprekken of werken buiten de school.
De stiltetijd biedt ruimte voor rust en herstel.
In de dagsluiting kijken leerlingen en coaches terug. Wat heb ik gedaan? Hoe ging dat? Waar liep ik tegenaan? Wat heeft mij geholpen? Wat vraagt morgen aandacht? Zo wordt ervaring door reflectie verbonden aan ontwikkeling.
Het ‘ritme van de dag’ maakt de schooldag voorspelbaar, zonder dat vooraf voor iedere leerling vastligt wat hij op ieder moment inhoudelijk moet doen.
We leren in heterogene gemeenschappen
Leerlingen worden op Agora niet ingedeeld op basis van leeftijd, leerjaar of verondersteld niveau. Zij maken deel uit van heterogene groepen waarin verschillende leeftijden, achtergronden, interesses, ervaringen en mogelijkheden bij elkaar komen. Binnen zo’n gemeenschap leren leerlingen niet alleen van volwassenen, maar ook van elkaar. Zij werken samen, stellen vragen, geven uitleg, delen kennis, bieden hulp en laten elkaar kennismaken met nieuwe onderwerpen en perspectieven.
Daarbij geldt een fundamenteel pedagogisch vertrekpunt:
Ik ben hier voor de ander, in het vertrouwen dat de ander hier voor mij is. We zijn hier met elkaar en vóór elkaar.
De persoonlijke leerroute staat dus niet los van de gemeenschap. Leerlingen krijgen ruimte voor hun eigen ontwikkeling en dragen tegelijk verantwoordelijkheid voor het welzijn, de vrijheid en de ontwikkeling van anderen.
De dagstart, gezamenlijke activiteiten, het samenwerken aan challenges en de dagelijkse omgang met elkaar maken van Agora een plaats waar leerlingen niet alleen leren, maar ook oefenen in samenleven.
Weerstand hoort bij leren
Een betekenisvolle challenge is niet alleen interessant, maar ook moeilijk genoeg om ontwikkeling mogelijk te maken. Tijdens het leren ontstaan onvermijdelijk twijfel, frustratie, verveling, onzekerheid en momenten waarop een leerling liever zou stoppen.
De coach probeert die weerstand niet altijd weg te nemen. Hij helpt de leerling om haar te herkennen, te onderzoeken en waar mogelijk te overwinnen. Soms betekent dat een opdracht kleiner maken of extra instructie aanbieden. Soms betekent het juist dat de coach niet onmiddellijk ingrijpt en de leerling uitnodigt om nog even vol te houden.
Vrijheid betekent op Agora daarom niet dat een leerling bij iedere moeilijkheid zonder meer kan afhaken. De aanvankelijke keuze voor een challenge brengt ook verantwoordelijkheid met zich mee. Juist door moeilijkheden aan te gaan, ervaren leerlingen dat zij meer kunnen dan zij aanvankelijk dachten.
We maken ontwikkeling zichtbaar
Enthousiasme, bedrijvigheid of een mooi eindproduct zijn op zichzelf geen bewijs dat een leerling heeft geleerd. Daarom onderzoeken we gedurende en na iedere challenge wat er werkelijk is ontwikkeld.
We kijken onder andere naar:
- de vragen die de leerling heeft leren stellen;
- de kennis die hij heeft opgebouwd;
- de bronnen die hij kan vinden, beoordelen en gebruiken;
- de vaardigheden die hij heeft geoefend;
- de verbanden die hij kan leggen;
- de keuzes die hij heeft gemaakt en kan verantwoorden;
- de kwaliteit van het proces en het uiteindelijke resultaat;
- de manier waarop hij met anderen heeft samengewerkt;
- de mate waarin hij zijn leren steeds zelfstandiger kan organiseren.
De coach volgt deze ontwikkeling door dagelijkse observaties en gesprekken, door het werk van de leerling te bekijken, feedback te geven en samen te reflecteren. De leerling verzamelt resultaten, ervaringen en bewijzen van ontwikkeling en leert daarover te vertellen.
De voortgang van een leerling wordt zichtbaar gemaakt door te kijken naar zijn vertrekpunt, zijn ontwikkeling, de kwaliteit van zijn werk en wat hij nodig heeft om een volgende stap te zetten. Tegelijkertijd verliezen we wettelijke doelen, basisvaardigheden, doorstroommogelijkheden en exameneisen niet uit het oog.
Zo wordt het fundament zichtbaar
De zichtbare praktijk van Agora begint dus bij een leerling die ergens door wordt geraakt en eindigt niet bij een leuk project of een tevreden gevoel.
Tussen die eerste nieuwsgierigheid en werkelijk leren bevindt zich het dagelijkse vakmanschap van de coach: luisteren, vragen stellen, begrenzen, structureren, instrueren, verdiepen, weerstand bieden, nieuwe werelden openen en zichtbaar maken wat een leerling heeft geleerd.
De purpose, de infrastructuur en de leidende principes komen daarin samen. Zij worden zichtbaar in leerlingen die leren kiezen én zich verbinden, vrijheid ervaren én verantwoordelijkheid dragen, zelfstandig werken én deel uitmaken van een gemeenschap, plezier beleven én moeite leren verdragen.
Dat is wat we op Agora doen: een omgeving creëren waarin leerlingen zichzelf, de ander en de wereld leren kennen en waarin zij, met deskundige begeleiding, steeds beter leren richting te geven aan hun leven en hun ontwikkeling.


Mooi en inspirerend verhaal, dank je wel Jan!
Heel fijn, deze uitgebreide onderbouwing. Helpend ook als Agora-ouder om te delen met bijv. familie… 🙂