Skip to main content

M. dook een paskamer in om een aantal kledingstukken te passen. M. is een twijfelaar. Een luiaard verplaatst zich sneller van tak naar tak dan M. zal besluiten welke truitje ze wil. Wachten werd mijn lot, dus ik ging er bij zitten.

Zowat gelijktijdig kwam een oude man naast me zitten. Kaal hoofd, een blasse gelige huidskleur, klein gehoorapparaatje in. Hij was opgewonden, beetje buiten adem. Hij bolde zijn wangen en blies met trillende lippen een diepe zucht naar buiten.

“Goedemorgen!”

“Goedemorgen!”

“U bent blij dat u zit zie ik?”

“Ik ben verkeerd gefietst.”

“Oh! Waar zou u dan eigenlijk moeten zijn nu?”

“In mijn huis in Stein, maar ik ben rechtsaf gegaan in plaats van links. Ik ben dementerend.”

“Dat is heel vervelend zeg. Waar komt u nu vandaan dan?”

“Van het crematorium. Daar had ik bij de uitgang naar links moeten gaan richting Stein, maar ik ben rechtsaf richting Geleen gefietst.”

“Maar weet u waar u nu bent dan?”

“Ja, in Beek bij de kledingwinkel waar ik altijd mijn kleren koop. Maar pfoe, ik ben kapot, heb ver gefietst.. blij dat ik even zit.”

“Zullen we iemand bellen die u kan ophalen, zodat u niet verder hoeft te fietsen?”

“Nee, nergens voor nodig. Ik weet waar ik naartoe moet zometeen.”

“Weet u hoe vanaf hier in Stein komt?”

“Ja, dat weet ik wel, ik kom hier vaker. Maar zal ik u eens wat vertellen?”, hij valt even stil, “oh ik kan het beter niet doen, want dan begin ik te huilen.”

“Wat u wil, ik vind het niet erg als u gaat huilen.”

Hij ritst zijn vestje los en zet zijn tas naast de stoel.

“Toen ik pas aderverkalking had, alleen wist ik dat toen helemaal niet, maar ik vergat wel van alles, werd mijn vrouw altijd zo boos op me. Achteraf bleek wat de oorzaak was, maar ze heeft nooit haar excuses aangeboden.”

“Wat moet dat moeilijk zijn geweest voor u.”

“Hou op.”

“De diagnose dementie zal uw vrouw misschien geholpen hebben om te begrijpen waarom u dingen vergeet?”

“Ja, maar weet u wat ze me nu geflikt heeft? Ze heeft me laten zitten. Ze is vertrokken. Oh verschrikkelijk, (veegt zijn tranen weg), ik snap er niks van. Dat bedenk je toch niet. Hoe komt iemand erbij om zoiets te doen?”

“Ik heb haar jaren geleden meegenomen uit de Filipijnen. U mag gerust weten, ik heb flink wat knabben (hij wrijft de binnenkant van zijn duim en wijsvinger over elkaar om geen enkele twijfel te laten bestaan over de juistheid van die uitspraak). Daar heeft ze flink van geprofiteerd en nu laat ze me zitten. Ooooh dat verzin je toch niet, verschrikkelijk, wie doet zoiets!?” (veegt zijn tranen weer weg)

“Hoe kwam u op de Filipijnen terecht?”

“Ik was stuurman en zat op de koopvaardij. Machtig mooi werk. Mijn specialiteit was radio en telegrafie. Maar ik zou het nu niet meer kunnen. Ik ben bijna 80.”

“Woont u nu alleen?”

“Ja, mijn kinderen komen af en toe.”

“Zullen we toch niet één van uw kinderen bellen? Dat ze u komen ophalen hier en meenemen naar huis?”

“Ben je gek, ik fiets zo weer naar huis. Ik vond het fijn om hier even met u te zitten en mijn verhaal te vertellen.”

“Ik ben toch een beetje bezorgd om u zo weg te laten gaan.”

“Dat hoeft niet. Ze kennen me hier. Ik koop hier altijd mijn spijkerbroeken. Nou, ik ga weer. Nog een fijne dag en nog bedankt voor het gesprek.”

“Ja, was fijn even. U ook nog een prettige dag en ik wens u goed thuis.”

Hij liep weg en raakte geanimeerd in gesprek met de verkoopster. Ze kende hem inderdaad. Even later liep hij vastberaden naar zijn fiets. Ik keek hem na. Pas toen hij uit het zicht verdween, begon de twijfel. Had ik toch niet anders moeten handelen? Die vraag is sindsdien niet meer uit mijn hoofd verdwenen.

Jan Fasen

Author Jan Fasen

More posts by Jan Fasen

Leave a Reply