Afgelopen week bezocht een raadslid mijn school. De school is er pas. De leerlingen hadden alles voorbereid: de zaal was versierd, er stond koffie en appeltaart klaar, en ze vertelden vol trots over hun school. Wat ik meemaakte, bleef me bij.
Het raadslid zat er wat stijfjes bij. Kaarsrecht op een stoel, schoenen tegen elkaar aan, knieën gebogen in een hoek van 90 graden. Verveeld keek ze voor zich uit, in het niets leek het wel. Als ze niet op geheel vrijwillige basis was gekomen, zou slecht gehumeurd een beter beeld zijn.
De leerlingen hadden hun best gedaan. Ze hadden de zaal versierd. Er was koffie en appeltaart. Daar genoot het raadslid van. Niet van de leerlingen. Nadat de leerlingen uitbundig over hun school hadden verteld, klonk er applaus. Het raadslid applaudisseerde niet. De leerlingen zagen dat en boden haar nog een kop koffie aan. Daar had het raadslid wel zin in.
Ik ging naast haar zitten en bedankte haar dat ze gekomen was.
“Ik ben ouderwets,” zei ze. “Ik heb HBS-b gedaan. In mijn tijd gaf ik nog gewoon les, leerde de leerlingen wiskunde met cijfers. Later moest ik vooral zinnen uitleggen, zodat de leerlingen de som begrepen. De cijfers verdwenen, ik leek wel een taaljuf. Wat leren die kinderen hier nu nog?”
“Heel veel,” zei ik. “Deze kinderen leren ook wiskunde, maar op een heel andere manier dan u gewend bent.”
“Ik ben ouderwets. Ik heb er niet zoveel mee.”
“Dat vind ik niet zo erg, maar vindt u het dan niet goed dat dit soort scholen er zijn? Voor al die leerlingen die niet goed raad weten met uw onderwijs?”
“Mijn dochter en schoondochter werken allebei op een basisschool. Met elk kind is wel wat. Hebben allemaal een rugzakje. Overal moeten ze rekening mee houden. En weet u hoe dat komt? Dat komt omdat de ouders allebei werken. In plaats van op hun kinderen te passen en thuis te zijn als de kinderen thuiskomen, gaan ze allebei werken. Dat is de oorzaak van al die ellende.”
“Maar hoe wilt u dat oplossen?”
“Dat kan ik niet oplossen.”
“Dan zal het probleem alleen maar groter worden. Bijna 100.000 kinderen zitten om allerlei redenen thuis. Ze kunnen niet meer naar school, vanwege de toenemende leerproblemen die ze ervaren op die gewone scholen. Dan is het toch goed dat er scholen zijn waar die leerlingen wel naartoe kunnen en niet meer thuiszitten?”
“Ja, dat is wel zo. Maar ik ben er te ouderwets voor.”
“Toch fijn dat zo’n school in uw gemeente ligt?”
“Dat is helemaal niet fijn. Wat denkt u dat ons dat kost?”
“Hoe bedoelt u?”
“Nou, zoals ik het zeg. We moeten de verkeersregels aanpassen, nieuwe voorzieningen aanleggen, nieuwe wegen aanleggen, zodat het allemaal veiliger wordt.”
“Maar dat is toch ook uw taak als gemeente?”
“Ik ben het daar niet mee eens. Wij willen die school helemaal niet.”
“Maar hij is wel een mogelijke oplossing voor al die leerlingen die uitvallen en thuis komen te zitten, dat is een groot maatschappelijk probleem. Bovendien is thuiszitten pas duur. Elke leerling die thuiszit kost de samenleving zo’n €100.000, heeft de gemeente Nijmegen laten berekenen.”
“Dat kan wel zijn, maar wij hebben hier niet om die school gevraagd. Het Rijk legt al genoeg problemen op ons bordje.”
“Zijn er meerdere raadsleden die er zo over denken?”
“Jazeker, de meeste.”
“Van welke partij bent u raadslid?”
“Van Dorpsbelangen, de grootste fractie in de raad. De hele fractie steunt mijn standpunt hierin.”
“Ik vind dat schokkend. Dit gaat over mensen, over leerlingen die recht hebben op onderwijs en dat steeds minder passend krijgen. En daarmee gaat het om de samenleving, en die is net iets groter dan enkel de gemeente hier.”
“Dat kan wel zijn, maar nogmaals, wij willen dit niet, dat kost de gemeente te veel geld.”
“Hoe lang bent u al raadslid?”
“Oh, al heel lang. Al ver voor mijn pensioen en nu al een paar jaar na mijn pensioen.”
Even later boden de leerlingen haar opnieuw koffie aan. Zonder oordeel, zonder verwijt. Ze waren blij dat ze gekomen was.

